De meester en de tovenaarsleerling

Aidan Chambers en Bart Moeyaert

Op de tweede rij, centraal en geprankt tussen leraren vol verwachting, wacht ik op vuurwerk. Vlakbij de scène en toch veilig want niet té dicht. Ik wil me wel aangesproken voelen, maar het daarom nog niet worden. Zenuwen links en rechts. En terecht. In de coulissen warmen twee reuzen zich op: een Engelse en een Vlaamse. Een Brit en een Belg met een band, samen met ons op zoek naar wie we nu eigenlijk zijn. Identiteit, wat is dat nu eigenlijk? En wat is de link tussen deze twee literaire zwaargewichten?

Chambers (°1934) is een rijzige, grijze vos die zich bij voorbaat verontschuldigt voor zijn slecht Vlaams. Daarmee bedoelt hij het Engels, zijn moedertaal.  Hij werpt ons met een hete aardappel in de mond ook de openingsvraag in de schoot:  ‘Hoe worden we wie we denken te zijn?’  Het antwoord zoekt hij zelf, monkelend en vaak very very tongue in cheek.

“Ik praat soms tegen mezelf, maar wie is de persoon die het tegen mezelf heeft? Elke ik heeft een impliciete wij, alleen besta je niet. ‘Every I is  a U, and every U is an I’. Weet je, het is ‘de staat’ die ons in eerste instantie classificeert: klasse, religie, familie, geslacht – het is enkel data, maar die factoren bepalen mijn identiteit niet! De overheid herkent me aan mijn pasfoto, maar zelfs dàt klopt niet: ik zie mezelf niet zo. Ik ben ouder, wijzer en veel veel grijzer. De man op de luchthaven die mijn paspoort analyseert, registreert het symbool ‘M’. Ben ik een man? Niemand controleert die data écht. Gelukkig maar.” Chambers knipoogt. “Het zijn zo’n steriele gegevens.”

Over een serendipity accident en enigmas of identity “Ik hou van mijn eigen maakbaarheid, maar de plek waar we geboren zijn limiteert ons. Ik ben bijzonder en uniek, er is niemand zoals ik. Je zoekt een persoonlijke vrijheid om te bekomen wie je bent. De vraag is, hoe doe je dat? Dit is de cruciale vraag op weg naar het antwoord: ‘To who do you belong?’ – dàt is wat je identiteit gaat bepalen! Ben je lid van een fanclub? Voetbalfan? Je gedraagt je in groep volgens die geplogendheden. Maar het start altijd met een model: een voorbeeldpersoon. Met die of deze persoon identificeer ik me. Het is de ultieme to be or not to be question.” Chambers poneert: ‘The self can be unfolded in the proces of reading’. De man gniffelt. “Ik ben schrijver en lezer en denk wel eens dat iedereen zo is. Iedereen definieert zijn ‘ik’ op een eigen manier. Ik weet heus wel dat het niet noodzakelijk met lezen en schrijven gebeurt, maar ik wil een belangrijk punt aanstippen in de ontwikkelingspsychologie: ik maak een onderscheid tussen kindertijd en adolescentie. In je kindertijd pretendeer je te zijn wat volwassenen je zeggen wie je bent. Volwassenen vertellen immers zoveel over je en als kind neem je dat voor waar aan. De adolescentieperiode is er om dat in vraag te stellen. Ben ik dat wel, wil ik dit, wat wil ik wel? En dit is mijn stokpaardje: Lezen gaat adolescenten daarbij helpen.

Metaphoric imagination “Waarom praten we beter over ‘karakters’ in een boek dan over ‘personages’? Ze bestaan enkel in het boek. Een set kwaliteiten bepaalt het personage en wordt dus een karakter. De plot van het verhaal is het minst belangrijke in mijn opinie. Personages hebben geen identiteit, ze acteren. Ze hebben geen onafhankelijke identiteit. Bekijk de setting hier. We zijn in een theater. Het is een ritueel, een performance. Op een scène als dit wordt het leven gespeeld. Er worden mensen vermoord in sommige stukken, ze gaan niet écht dood he! Tussen haakjes,  ik haat participatief theater. Het publiek is er voor zingeving en acteurs moeten acteren. Als publiek bespreek je het stuk achteraf, als was het écht! Het gaat dus om reflectie! Ben ik zoals dat karakter? Met wie identificeer ik me? De karakters/personages laten je de keuze om jezelf te bepalen. Wat doe ik in die situatie. Het is ‘bloody metaphoric imagination!’

Ouders en inspirators  – Identiteit wordt bepaald door de omgeving waarin je opgroeit. Aidan vertelt over hoe zijn ouders elkaar ontmoetten. Hij romantiseert het geheel want hoe kan het ook anders. Hij was er niet zelf bij. Een uitspraak van zijn moeder echter zindert op 77-jarige leeftijd nog steeds na: ‘Children ruin your life. After the first one, I never had an other…’. Aidan mijmert. “Ikzelf heb geen kinderen. Is dat feit door die quote bepaald? Later realiseerde ik me dat moeder niet over mij praatte, maar over zichzelf. Dat biedt troost. “Er waren geen boeken in huis. Of toch. 1. En soms is dat voldoende. Ik herinner me de kracht van het voorlezen. Je kent het verhaal van de schildpad en de haas? Waarom herinner ik me dàt boek? I’l tell you why. Ik groeide als schildpad op tussen de hazen.” Chambers grinnikt. “De hazen zijn dood nu, of ze zijn gek geworden. Ik ‘schildpad’ verder op ‘t gemak, ik ben 77 en ga door. Het is niet het enige verhaal dat me gevormd heeft, maar het was wel het begin van de vorming van mijn identiteit.” Aidan wijst naar de coulissen. “Bart zal je straks vertellen dat het voor hem ‘Je moet dansen op mijn graf’ was, maar ik was al bijna klaar met de haas en een schildpad.” (Moeyaerts afstudeerscriptie ging over het werk van Chambers) “11 jaar oud was ik, en ik zat op de slechtste school ooit. Echt! Het enige licht was het meisje waarop ik verliefd was in die dagen. Marion, heette ze. Er zou verhuisd worden en ik zag haar nooit meer weer. Ik classeer haar onder de ‘significant seperations’, heel belangrijk in een mensenleven. Ik verwerk het verlies van mijn liefje nog steeds. Soms denk ik dat ik al mijn boeken voor haar schreef.”

“Ik ontmoette een jongen die het woord ‘library’ uitsprak.  Niemand in mijn omgeving, thuis of op school had dàt woord ooit gebruikt. ‘Deprivation? Child abuse!’ Het is je recht om als mens toegang te hebben tot het culturele erfgoed van je moedertaal. Ik ging in het lezen van 0 boeken naar 4 in een week. Dankzij die ene jongen. Met wie identificeer je je he? Later werd het nog beter. Ik ontmoette Jim Osborne, mijn leraar engels. Tijdens zijn eerste les veranderde mijn leven. Hij leerde me dat échte lezers de boeken kopen die voor hen wezenlijk zijn.”

The Litature of recognition.

Ik botste op een karakter in een boek dat de twee identiteiten verenigde: ‘wie ik was en wie ik wilde zijn’! Ik wou dat ik dat boek zelf geschreven had. ‘Sons and lovers’, heet het werk.  Dàt gegeven noem ik de ‘Litature of recognition’. Zolang je dàt boek niet tegenkomt, word je nooit een ernstige lezer en sterker nog: je vindt nooit jezelf. Dàt is het belang van literatuur. Identiteit is het sleutelwoord in het leven dat we leiden en willen leiden.

Bart Moeyaert

Daar staat hij dan: Woordenman. Met een présence en stijl waarbij de leerling de meester moeiteloos overklast. Geen woord teveel, geen beweging te zwaar en met de timing van een topacteur verhaalt Moeyaert over zijn ontstaansgeschiedenis die, net als Chambers, bepalend zal zijn voor wie hij was, zou kunnen worden en zijn. Ingetogen en intiem, groots en uitdagend, humoristisch, sarcastisch en ernstig zal zijn betoog zijn. En dat is slechts de surplus. De man raakt je na zin 1 tot in het midden van je ziel. Hij grijpt je bij de ballen en zet je aan tot waarover Chambers vertelt. Aidan spreekt over reflectie, Bart lokt het uit. Aidan praat over emoties, Bart laat ze je voelen. Wat hij zegt en hoe hij het doet is doordrongen van een poëzie en een niveau in verhaalopbouw dat weinigen gegeven is. Moeyaert neemt je mee naar zijn vroege kindertijd onder de keukentafel, luisterend naar de gesprekken van zijn broers en via de spanning in de voeten en de tenen van zijn grootmoeder aangevend wanneer zij het woord nemen zou. Aandoenlijk mooi. Op het einde wordt duidelijk dat de ene zijn identiteit zoekt in het lezen, Bart in het schrijven. De lezing verhaalt subtiel zijn ganse oeuvre. Wanneer hij dat kadert, zie je hoofdgeknik in het publiek en hoor je de zuchten bij een aha erlebnis.

En dan is het voorbij. Het blijft respectvol stil. De enige reden waarom er geen staande ovatie volgt is het verpletterend gewicht van de woorden die de man ons geeft. Als verslaggever voelde ik me nooit te nietig om te verhalen over wat iemand ooit zei. Tot nu. Ik buig. Voor wie dit leest heb ik slechts twee keer drie woorden: Ga hem zien. Zweef naar buiten. (Dat u hem lezen mag en niet moet is een voorrecht. Chambers zou het anders duiden, ongetwijfeld.)

Posted in Uncategorized | Tagged , , , | Leave a comment

Ouwe viezeriken

De wind jaagt ons Den Appel binnen, een gerespecteerde herberg vlakbij het Ladeuzeplein in Leuven. Bavo en ik banen ons een weg door de volgepakte benedenverdieping en vinden een plek op de eerste etage. Er rest ons 1 tafeltje, quasi in het midden. De zucht van opluchting omwille van een zitplaats slaat om in de gestokte adem van algehele verbazing. Bavo buigt zich naar me toe, trekt de schouders op en gniffelt. “Zie jij wat ik zie?” fluistert hij. Ik knik en kijk zo onopvallend mogelijk maar met stijgende verkneukeling om me heen. Elk tafeltje is bezet door duo’s, viertallen en sixpacks en een multipliciteit aan bloed- maar dan ook bloedmooie vrouwen. Ze zijn er in alle vormen, in alle maten en leeftijden, in alle kleuren en vast ook in diverse geuren. “Zijn we zonet aangereden op straat en rechtstreeks in de hemel beland?” probeer ik voorzichtig, “of is dit enkel de catalogus waaruit we straks mogen kiezen?” Bavo schikt schijnbaar achteloos het peper – en zoutstelletje. Hij hapt naar adem. “Jawadde, ’t is wel een pracht van een menukaart hier. Alleen jammer dat jij vegetariër bent.” Hij wijst zichzelf aan. “Ik heb reuzenhonger.” Een ober verschijnt aan onze tafel. We kijken licht teleurgesteld op. Het is een man. “U komt iets te vroeg,” zegt Bavo en hij stuurt hem wandelen. “We geven onze ogen nog even de kost.”

Bavo en ik komen net terug van een reportage en als professionals hebben we uiteraard zakelijke dingen te bespreken. Onnoemlijk interessante materie zelfs, zoals de invalshoeken voor een paar repo’s, de suggesties naar de beeldredactie, de accenten van enkele artikels, een leuke kop hier, een idee voor een actie daar en veel, véél meer. Telkens een van ons beiden over een van die items een gesprek aanknoopt, dwalen de ogen van de ander af, valt diens mond open en dient er ternauwernood niet met een servet gedept. Er is geen houden meer aan. Op sommige momenten is het voor een man echt te veel gevraagd om twee dingen tegelijk te doen, laat staan zich op twee of meer zaken tegelijk te concentreren. Op dit eigenste moment is er simpelweg een overload aan prikkels, beseffen we. “Ik ben nog nooit zo aangenaam verstrooid geweest,” zucht ik. Bavo zegt niks. Hij nipt met glinsteroogskens van zijn glas rode wijn, obligate pink in de lucht. Naast ons vertrekken twee nimfen. Ze kijken even lieflijk (of is het beleefd) onze kant uit. Wij grijnzen schaapachtig terug en knikken van ‘dagdagdaaag totnoggis?’ Twee elitesoldaten van de Vogue verzorgen de aflossing van de wacht. Ze nemen meteen de vrije tafel in. Het wordt steeds beter. Diamanten dames, prinsessen zonder prada maar met één en al gratie leggen heel Leuven voor ons plat. Het geluid valt weg, de omgeving bevriest. De manier waarop ze plaatsnemen speelt zich af als een vertraagde film: lang haar wordt schampooreclamegewijs achteloos naar achteren gegooid, een gemanicuurde hand streelt een hals, parelwitte boventanden worden licht ontbloot onder een perfect gestifte bovenlip, hertenkalfjesogen wimperen onze kant uit en een rokje wordt langzaam gladgestreken, de lange vingers pianospelend verderglijdend tot net boven de knie. En nog een keer. Mijn zicht wordt ietwat troebel. Dat zou kunnen door de dampende ovenschotel voor mijn neus, maar ik betwijfel het. Bavo’s adamsappel maakt een salto. “Zoveel schoonheid op één dag,” zucht ik, “dat neigt naar een overdosis.” Bavo schudt ongelovig het hoofd. “Ik ga terug studeren,” zucht hij. “Ik begin een horecazaak,” stamel ik. Ik vraag hem of we nu aan het bewonderen van schoonheid of aan seks denken. Bavo wuift mijn vraag weg. “Seks? Poeh! Wij denken veel minder aan seks dan ze ons willen doen geloven. Vergeet het cliché dat mannen om de zeven seconden aan seks denken, een Amerikaanse studie wijst uit dat mannen, wij dus, slechts om de vijftig minuten ‘seksuele gedachten hebben’. Dat is goed voor negentien keer per dag, ongeveer evenveel als we aan eten of slapen denken.” Ik knik berustend. “Mooi zo!” Ik prik mijn vork in de lasagne en hef ze in de hoogte. “Even aan het evenwicht werken, dan.” We slagen erin om vier happen lang enkel te eten, zonder op of om te kijken. “Is Leuven een stad om een redactie te vestigen, Bavo?”  Mijn collega gromt. “Mijn gedacht,” antwoordt hij. Even laten we die mooie gedachte bezinken. Dan schudden we allebei het hoofd. “En dan onze dochters hier tegenkomen zeker,” lach ik. We gruwen allebei bij de gedachte aan de confrontatie met onze volwassen dochters en niet in het minst met onze eigen leeftijd. “Zijn we dan nu officieel oude, vieze ventjes geworden?” vraagt Bavo. Ik knik.“Vast wel. Zal ik je vlees even fijn snijden?” Bavo lispelt. “Ouwe viezerik, kijk in je eigen bord.”

(Eerder verschenen in Feeling)

Posted in Uncategorized | Tagged , , , , | Leave a comment

Praten met bomen

Ik sta in onze tuin bij die ene catalpa die ik jaarlijks, na het vallen van het laatste blad, kortwiek. Ik heb een schreeuwlelijke oranje jas aan, het waait voor twee en mijn broek wappert om mijn enkels. Vanmiddag blijft het niet bij één snoeibeurt. De buren hebben vier boompjes en voor het eerst in tien jaar klim ik over de schutting om die van hen ook een bros aan te meten. “Stoppelstompjes maken”, zeg ik tegen mezelf, “hun kruin net zo borstelig als de snor van de buurman Jan”. Ik slik, sluit de ogen en schud het hoofd bij de gedachte aan het verlies van de buurman. Brandweerman Jan, twee meter en een sjiek groot, een onverwoestbaar baken voor de buurt. Tot die onblusbare kanker kwam. Exact een jaar geleden kreeg hij de diagnose, vandaag sta ik met een snoeischaar in de hand met mijn voeten op zijn gazon. Vooraleer ik de eerste tak knip, kijk ik even naar de lucht. Het duizend kleuren grijze wolkendek scheurt wat open en ik krijg het gevoel dat hij naar me kijkt. De eerste tak die ik knip, landt dan ook met ongelooflijke precisie midden op mijn voorhoofd, als een waarschuwing van boven. “Juist.” Ik knipoog even. “Je was een kerel met een vaste hand. Hier past geen half werk.” Ik plaats de ladder wat dichter bij boompje 1 en ga minutieus te werk. “Het komt me goed uit dat je vrouw vandaag het huis uit is,” zucht ik tot de lucht. “Ze vindt het dan wel een goed idee dat ik je bomen snoei Jan, geen idee wat het met een mens doet als er plots een vreemde tuinkabouter op je eigendom staat. Enkel met jou in de buurt die op mijn handen kijkt, lukt me dat wel.”  Ik geef boom 1 een klapje tegen de stam. Met deze bast voer ik in gedachten mijn laatste gesprek met Jan opnieuw. Ook toen was het kil, grijs en winderig. “Ik zie je streepjessweater slobberen om je sterk vermagerd lijf en ik hoor die woorden van dankbaarheid over het leven dat achter je ligt, Jan.” Ik adem diep in en uit. “Ik zie je scheve glimlach bij de kansen die je greep, de reizen die je maakte en de geluksmomenten die je plukte.” Ik verplaats mijn ladder naar de volgende boom. “Dat het toén pas tot me doordrong dat je klaar was om te vertrekken makker, bezorgt me nu weer een krop in de keel. De kracht die je uitstraalde in berusting, het geloof in en de allesomvattende zorg voor je vrouw maakte je nog grootser dan je al was.” Met boom 3 heb ik het over jezelf verlaten voelen. “Waar waren sommige kameraden van jou in die moeilijke tijd geweest? Van dag 1 dat je ziek werd, leek het alsof zij die anders letterlijk voor jou door het vuur zouden gaan, stukje bij beetje in rook waren opgegaan.” Ik laat de snoeischaar even rusten over mijn schouder en kijk naar het slagveld van takken, twee meter onder me. Ook een schijnbaar ongenaakbare, onverwoestbare boom van een vent als Jan heeft behoefte aan bondgenoten. Ik klem mijn snoeischaar om een dikke tak en zet kracht.

“Je weet hoe moeilijk het is voor mensen om over doodgaan te praten. Geen groter taboe dan dat.” Ik lach en houd me vast aan de ladder. “Wij twee waren nu ook niet bepaald volgelingen van Moeder Theresa. In deze tijd waar voor alles een oplossing is en zelfs kanker soms te genezen valt, is vergankelijkheid in de ogen kijken niet simpel. Het is niet bon ton om met verval en miserie om te gaan. ‘Stel je voor dat het besmettelijk is!’” Ik wis zweet van mijn voorhoofd en wijs vermanend naar boom 4. “Daar zit iets fundamenteel fout. Als je sterven iets mag teweegbrengen, Jan. Laat het dan een besef zijn dat op de vraag ‘Hoe gaat het?’ je als antwoord ook ‘Slècht!’ mag krijgen. En dat de angst voor dat antwoord nooit de leidraad mag zijn om die vraag niet te stellen.” Halverwege het snoeien van boom 4 stop ik. Temidden van de kruin ontdek ik een verlaten vogelnest. Ik snoei er voorzichtig omheen en fluister er vier woorden in. “Ik mis u, makker.” Volgend jaar kijk ik of ze er nog in liggen.

Posted in Uncategorized | Tagged , , , | 2 Comments

Piket

Vandaag staakt mijn hoofd. Dat doet het om te verhinderen dat mijn hart in de toekomst stil zou vallen.

Posted in Uncategorized | Leave a comment

Grannies en broekies

Twee meisjes op de tram. Hun jeansbroeken hangen laag. Twee oudjes met gestifte wenkbrauwen, tijgerkraag en brillen als glas in lood kijken vanop hun bankje de ogen uit. Ze stoten elkaar aan en grinniken. Een van hen kriebelt het grootste meisje op de blote onderrug. Het kind draait zich verschrikt om, haar ogen schieten vuur. De blik van de tiener ontdooit bij het zien van de twee grijnzende valse gebitten. “Wat is er?” stamelt het meisje. De oudjes hebben er schik in. “Is dat niet fris? Het vriest buiten zenne!” Dan barsten ze alle vier in lachen uit. Er ontspint een gesprek over examens en hoe moeilijk het wel moet zijn voor de jeugd om te studeren en werk te vinden. “Maar ach, in onzen tijd mochten we niet studeren,” zucht lady Geriatro. “Mijn vader smeet me van de snit- en naad-school. Hij vond die lappen stof in de keuken maar niks.” De twee jonge meisjes zijn even sprakeloos. De andere bejaarde dame grijpt de arm van een van de hangbroekmeisjes. “Er zitten maar een paar generaties tussen ons, maar de wereld is he-le-maal veranderd,” zucht ze theatraal. De tieners knikken schaapachtig. Oudje 1 wuift die opmerking lachend weg. “Zolang we uw onderbroek niet kunnen zien, is er nu ook weer niet zoveel veranderd zenne.”

Posted in Uncategorized | Tagged , , | 2 Comments

Bijna

De kinderen vergroeien met hun pyjama en ik kamerjas mee @ infinitum. De rolluiken aan de straatzijde blijven halfweg steken. In de keuken zingen twee knutselaartjes het refrein van Coldplay’s ‘Paradise’ mee. Ik nip van mijn koffie en ben bijna gelukkig. Bijna.

The art of almost.

Posted in Uncategorized | Tagged , , | Leave a comment

Thee voor twee

Ze speelt met het theelepeltje, reflecteert onbewust het spotlicht op de patine-muur, zucht en kijkt tevreden in het rond. ‘Ik ben gek op deze plek,’ fluistert ze. Het lepeltje duikt in haar kopje. Een druppel landt op haar hand. Ze likt het af. ‘Ik moet je iets bekennen,’ zegt ze gewichtig. Mijn hoofd kantelt ten teken dat ik luister. Haar adem stokt even, maar dan zegt ze aarzelend: ‘Ik ben verliefd.’ Mijn hart struikelt. Ik vermoed dat ze mijn glazige blik registreert. Dan verschijnen lachrimpeltjes om haar ogen. Ze tikt met haar vingers op de schoteltjes onder de theekopjes. ‘Verliefd op deze bordjes.’ Ze vindt zichzelf grappig en waarom niet,  ik lach mee. ‘Ze zijn dan ook heel charmant,’ zeg ik wijl ik mezelf reanimeer en denk:

‘Lieve kleine, doe-dat-nooit-meer.’

Posted in Uncategorized | Leave a comment